DE SLIP VAN EEN JOODSE MAN 

„Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Het zal in die dagen geschieden, dat tien mannen, uit allerlei tongen der heidenen, grijpen zullen, ja, de slip grijpen zullen van een Joodse man, zeggende: Wij zullen met ulieden gaan, want wij hebben gehoord dat God met ulieden is.” Zacharia 8:23 

Deze profetie moet de Joden in Zacharia's dagen wel ongelooflijk in de oren hebben geklonken. 

Het volk Israël bestond destijds uit een groepje beroofde en berooide ballingen in Babel. 

Babel, dé wereldstad toen! Het knooppunt van bijna alle volken van deze aarde. Kleine, overwonnen volken waren er als ballingen heengevoerd. Ook Israël. De Babyloniërs keken er laag op neer; hoogstens medelijdend. Wie nam daar nu notitie van of er een Jood meer of minder in de straten van Babel liep? 

En toch zegt Zacharia, dat 10 heidenen uit alle volken de slip van een Joodse man zullen grijpen, die zich gereed maakt om naar Jeruzalem op te trekken. 

Die heidenen zijn jaloers op hem. Zij zoeken steun bij hem. Hoe kon dat dan? 

Omdat zij voelden dat die Jood iets bezat wat zij misten. En nu smeken ze om mee te mogen gaan; ze grijpen de slip van de mantel van deze Joodse man, een gebaar van iemand die om hulp smeekt. Maar waarom willen deze 10 mannen dan mee? 

Nee, ze wilden niet mee omdat Jeruzalem zo’n mooie stad was. In architectonische schoonheid kon Jeruzalem het niet halen bij Babel. Maar hun begeerte gaat naar Jeruzalem uit omdat ze gehoord hadden dat God met hen was. Het was hun om God te doen. 

Ons hart vindt geen rust, voordat het rust in God, en zo gevoelen deze heidenen bij al de heerlijkheid en rijkdom van Babel de schrijnende armoede van het leven buiten God. 

Zacharia geeft hier dus geen voet aan aardse verwachtingen inzake de opbloei van een Joods Messiasrijk. Want wat het vleselijke Israël betreft, dit is nooit een volk geweest dat de andere volken zo bijzonder heeft aangetrokken. Integendeel: “Zij hebben mij dikwijls van mijn jeugd af benauwd”, zegt ook nu Israël (Psalm 129:2). 

Zacharia ziet echter dieper en verder. De blik van de profeet is wereldomvattend. Hij voorspelt de uitbreiding van Jeruzalem, hetwelk is ons aller moeder: de Kerk des Heeren (Galaten 4:26). En daarin openbaart zich dan de vraag naar de éne Joodse Man, de Heere Jezus Christus. 

In het bijzonder is deze profetie vervuld op de Pinksterdag. Door de uitstorting van de Pinkstergeest is het Evangelie uitgebreid over de hele aarde. Ook in ons land, wel genoemd het Israël van Europa, is het gekomen. 

Er is een tijd geweest dat in ons land de kerk en het Woord Gods een ereplaats innamen. Maar tegenwoordig laat men ‘de Joodse man’ op straat lopen. Men grijpt niet meer met z’n tienen naar de slip van zijn gewaad, om te vragen: mogen we mee? Het shirt van sporthelden heeft helaas meer aantrekkingskracht gekregen dan de slip van de mantel van de Joodse man. 

Hebben wij daar misschien schuld aan? Kan van óns gezegd worden dat wij de wereld jaloers maken? Beleven we de waarheid van het Woord van God ook met ons hart, zodat onze ongelovige schoolvriend en -vriendin of collega er jaloers op wordt en bij zichzelf zegt: kende ik toch óók dat geheim? 

Want de wereld kan alleen jaloers zijn op mannen en vrouwen, jongens en meisjes, die in hun leven werkelijk laten merken dat ze de Heere vrezen. 

Stoten wij als (doop)leden onze medemens van de kerk af of trekken wij hem aan? Of moet je bekennen: ik bezit zelf nog niets? In het gewaad van Zijn Woord wandelt deze ‘Joodse Man’, Wiens Naam is Jezus, Zaligmaker, ook in ónze straten. Heb jij, hebt u al als een buigende zondaar de zoom van Zijn kleed aangeraakt? 

 J. Driessen


Agenda

zondag 7 juni 2020 10:00
Leesdienst
zondag 7 juni 2020 16:00
Leesdienst
zondag 14 juni 2020 10:00
Leesdienst
zondag 14 juni 2020 19:00
ds. J. van Rijswijk