Het verlangen naar God en Zijn huis

“Mijn ziel is begerig en bezwijkt ook van verlangen naar de voorhoven des HEEREN; mijn hart en mijn vlees roepen uit tot den levenden God.” Psalm 84:3

In deze psalm brengt de dichter zijn verlangen tot uitdrukking naar de gemeenschap met God. Hij verwacht die te ervaren bij het gaan naar Gods huis. De dichter is zeer waarschijnlijk David. Bij het dichten van deze psalm is hij tot zijn smart verstoken van het gaan naar de tabernakel. De plaats waar de Heere woonde, had de liefde van David en van al de vromen in Israël, omdat de Heere daar woonde op het verzoendeksel. Daar was de dienst der verzoening, die de genade van God in Christus predikte voor zondaren. Deze dienst der verzoening had David nodig. De prediking van de genade van God was voor hem onmisbaar. En die is voor iedereen onmisbaar die door het werk van de Heilige Geest oog gekregen heeft voor zijn schuld bij God.

En zolang Gods kerk op aarde is, blijft de behoefte aan deze dienst aanwezig. Want daarin wordt verkondigd dat wie de belofte van het Evangelie met een waar geloof aanneemt, al de zonden door God om de verdiensten van Christus’ wil vergeven zijn. De Heere werkt door middelen. Door de prediking van het Evangelie werkt Hij het geloof, maar Hij versterkt het ook. Dat was ook de ervaring van David. Daarom verlangt hij naar de voorhoven van de woning des Heeren. Als niet-priester mocht hij in het heilige niet komen. Maar in de voorhof stond het brandofferaltaar dat heenwees naar Christus’ verzoeningswerk. Daar zag hij door het geloof de wegname van de schuld door de overdracht ervan op het offerdier. Wij mogen dan ook niet wijzer zijn dan God. Hij bindt ons aan de middelen waardoor Hij het geloof werkt en versterkt: de prediking van Zijn Woord en de sacramenten. “Als God me bekeren wil, kan Hij het ergens anders ook wel doen”, wordt weleens gezegd. Maar niet wat Hij kan, maar wat de Heere wíl, moet leidraad voor ons handelen zijn. David voelt het gemis van de veiligheid en rust die bij de altaren des Heeren zijn. Die rust en veiligheid vinden de mus en zwaluw in hun nest. Het is hun huis en woning waarin ze de jonge vogeltjes neerleggen. En zoals nu een vogel naar het nest verlangt, zo verlangt David ernaar om bij de altaren des Heeren te zijn; in Zijn woning te verkeren. Daar ervaart hij door het geloof de zalige rust en de hoogste veiligheid. Hierbij denken we aan de woorden van Augustinus: “Ons hart is onrustig in ons, totdat het rust vindt in U, o God”. En degenen die God in waarheid dienen, brengen Hem de offeranden van lof: “Zij prijzen U gestadiglijk” (vers 5). Hoe vaak had David ervaren dat de Heere Zijn Helper wilde zijn in zijn leven, waarin hij zoveel verdrukking en lijden ervaren heeft. En de herinnering daaraan doet hem hen gelukzalig noemen, die zich opmaken om naar het huis des Heeren te gaan. Hij denkt vooral aan de feestgangers die telkens op Israëls grote feesten uit alle delen van het land opgingen naar Sion. Toch noemt hij niet alle feestgangers welgelukzalig. Dat is alleen hij wiens sterkte in God is en in wiens hart de gebaande wegen zijn. Dat is degene die van eigen wijsheid en kracht leert afzien door het werk van de Heilige Geest. En ook die leert afzien van alle schepselen buiten hem, maar zijn vertrouwen op de Heere alleen stelt. Het is de ware Israëliet, die de levende God kent en voor wie buiten Hem geen hulp en sterkte te vinden is. En als de dichter zegt dat in het hart van de ware feestgangers de gebaande wegen zijn, dan drukt hij daarmee het ernstig en heilig verlangen uit om op te gaan naar Sion om de liefelijkheid des Heeren te aanschouwen en te onderzoeken in Zijn tempel. Om daar de gemeenschap van het geloof en de liefde met de Heere, zijn God te ervaren. Dan zijn ook geen hinderpalen te groot. Zelfs de kwelling en de vermoeienis van het gaan door het tranendal, ook wel het dal der moerbeziënbomen genaamd, kan niet belemmeren. Droogte en gebrek aan water in dit waterloze dal doen hen niet bezwijken. Hun ogen zijn vertrouwend op de Heere geslagen. Hij is de Bron van alle goede gaven, hun altijd bloeiende fontein. Als de nood op het hoogst is, daalt een overvloedige regen neer, die hun tot verkwikking strekt. Die doet hun ingezonken kracht toenemen, gesterkt vervolgen ze hun weg naar Sion, zij gaan van kracht tot kracht steeds voort. Dus telkens ontvangen ze nieuwe kracht om de tocht voort te zetten. Zo is ook de weg en het deel van alle pelgrims naar het Sion dat boven is. Op Zijn tijd schenkt de Heere nieuwe vertroostingen en krachten om voor het bezwijken te bewaren. Zo doet Hij ervaren: “In de wereld zult gij verdrukking hebben, doch hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen”. Missen doet waarderen. Zo is het ook met het voorrecht regelmatig naar Gods huis te kunnen gaan. Ook David beleeft het gemis heel sterk in (vers 9 en 10). Een sterke aandrang en een vaste pleitgrond horen we in de bede: “Heere, God der heirscharen, hoor mijn gebed, neem het ter ore, o God van Jakob. Sela. O, God ons Schild! Zie, aanschouw het aangezicht Uws gezalfden”. De Heere is machtig te redden, zoals ook in het leven van Jakob zo vaak gebleken is. Dat David een gezalfde des Heeren is, geeft hem vrijmoedigheid om bij de Heere aan te houden. De Heere Die met hem en zijn zaad een vast en welgeordineerd verbond gemaakt heeft in de ware Gezalfde, Davids grote Nazaat (2 Samuël 23). Duidelijk openbaart ook David de keus van Mozes, zoals die genoemd wordt in Hebreeën 11. Hij is met de Heere verbonden met de band der liefde en daardoor ook met allen die Hem vrezen. Dit doet hem de plaats van de gewone leviet verkiezen boven de weelde van het huis des goddelozen. Tenslotte doet hij uitkomen hoe goed hij van de Heere denkt. Uit Hem, de Bron van alle licht en liefde, vloeit genade en eer toe aan allen die Hem vrezen. Genade staat tegenover de schuld die er ook bij David altijd blijft; de eer die de Heere hem geeft, is hij niet waard. Maar het goede geeft de Heere aan hen die in oprechtheid wandelen. Ze ontvangen uit Zijn hand alles wat goed voor hen is. En zij die door God met genade begiftigd zijn, zullen tenslotte gekroond worden in Zijn Koninkrijk. Welgelukzalig zijn dus allen die op Hem betrouwen. Zo komt bij David de hoop weer boven. Al is hij verstoken van de tempeldienst: ook van verre heeft hij Gods genade aanschouwd. En ook daar spreekt hij goed van de Heere. Deze psalm is een pelgrimslied bij uitstek. Vinden we ook ons verlangen en onze ervaringen er in terug?

ds. H. Paul


Agenda

zondag 16 augustus 2020 10:00
ds. G. J. Baan
zondag 16 augustus 2020 19:15
ds. G. J. Baan
zondag 23 augustus 2020 10:00
ds. A. B. van der Heiden
zondag 23 augustus 2020 16:00
ds. A. B. van der Heiden