MEDITATIE

Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen. Ik zal tot den HEERE zeggen: Mijn Toevlucht en mijn Burg! mijn God, op Welken ik vertrouw!” Psalm 91:1

Veiligheid in de Allerhoogste
De duivel kent de Psalmen ook. Als hij in de woestijn de Heere Jezus verzoekt, komt hij met psalmwoorden aan: “Indien Gij Gods Zoon zijt, werp Uzelven nederwaarts; want er is geschreven, dat Hij Zijn engelen van U bevelen zal en dat zij U op de handen zullen nemen, opdat Gij niet te eniger tijd Uw voet aan een steen aanstoot” (Mattheüs 4:6 en Psalm 91:11). Ook in het aanhalen van dit tekstwoord blijkt satan de grote ‘omkeerder’ te zijn. Hij manipuleert het Woord zó dat de leer van Gods voorzienigheid misbruikt wordt. Christus doorzag zijn list en antwoordt hem: “Er is wederom geschreven; Gij zult de Heere, uw God, niet verzoeken” (Mattheüs 4:7 en Deuteronomium 6:16).

Hij die op Gods bescherming wacht
De dichter van Psalm 91 blijft ons onbekend. Sommigen hebben gedacht aan Mozes. Dan zou deze Psalm zoiets als een vervolg zijn op Psalm 90. Anderen hebben gedacht aan David. Het blijft echter gissen. Dit weten we echter wel: de Heilige Geest is de Leermeester in deze Psalm. Een Psalm die, volgens Calvijn, een allernuttigste leer bevat: “Want ofschoon allen spreken over de voorzienigheid Gods en erkennen, dat Hij de Behoeder der gelovigen is, is er nauwelijks een op de honderd, die zijn heil aan Gods getrouwheid overgeeft”. Een scherpe uitspraak die het waard is om overdacht te worden.

In Psalm 91 ontmoeten we wel iemand die weet van die totale overgave aan God. Terecht spreken sommige verklaarders hier dan ook van de vertrouwens-psalm. Direct vanaf het begin wordt het duidelijk dat we hier luisteren naar iemand die weten mag Wie de Heere voor hem is. De Heere is zijn schuilplaats en zijn schaduw. Zijn Toevlucht en zijn Burg. De Allerhoogste, de Almachtige (let op de Godsnamen die hier gebruikt worden) is zijn bescherming. Onder welke omstandigheden dan ook, hij mag weten wat hij aan de Heere heeft.

Rijk en beeldend is het taalgebruik. De Heere zal hem redden uit lijfsgevaar, als een vogel uit het net van de vogelvanger. Bij de strik van de vogelvanger (vers 3) moeten we denken aan een soort klapnet dat bij aanraking open springt. Het werk van de vogelvanger is daarbij beeld van de vijandelijke aanslagen.
Daarnaast spreekt hij van verderfelijke pestilentie. Even verder (vers 6): de pestilentie die in de donkerheid wandelt. Bedoeld is de dodelijke dreiging van de pest.
Verder wordt Gods bescherming vergeleken met de vleugels (letterlijk: de wieken) van de moedervogel (vers 4).

Ook lezen we hier van de rondas en de beukelaar. We zullen moeten denken aan een schild en een pantser. Het grote schild bedekt het gehele lichaam. Het pantser sluit om het lichaam heen. Zo functioneert de waarheid als schild en pantser tegen de pijlen die de vijanden afvuren. Leg Efeze 6:10-20 er maar eens naast. Omgord met de waarheid van het Woord Gods, schuilend achter het schild des geloofs worden de vurige pijlen van de satan uitgeblust. Het kwaad kan dichtbij Gods kinderen komen. De plaag die de eerstgeborenen in Egypte doodde, kwam heel dichtbij de Israëlieten, maar het raakte hen niet. Zo zegt de dichter, zal het tot u niet genaken (vers 7).

Ik steun op God, mijn toeverlaat
Opnieuw komen de woorden van het begin terug. Het is alsof de dichter er niet over ophouden kan. Wat een wonder; de Heere is zijn Toevlucht! Een volkomen Toevlucht.

Geen kwaad, geen plaag zal tot hem naderen. Niet alleen in de tent, dat is thuis, is de Heere een toevlucht. Ook onderweg en op de reis zal de Heere bewaren. Engelen zullen hem op handen dragen (Hebreeën 1:14). Zijn voet zal zich aan geen steen stoten. En dat terwijl de wegen in het Oosten bezaaid zijn met stenen en daarbij nog smal zijn ook. Naast de stenen behoren de leeuw en de adder tot de gevaren van de weg. Met de draak zal wellicht de slang bedoeld zijn. Ook over deze gevaren zal Gods pelgrim triomferen. Daar doen immers de woorden ‘treden’ en ‘vertreden’ aan denken (vers 13).

Wat is toch het geheim van deze veiligheid? Een veiligheid om jaloers op te worden. Psalm 91 neemt ons in het antwoord op deze vraag mee naar het binnenste heiligdom als de dichter zegt: “De Allerhoogste hebt gij gesteld tot uw Vertrek” (vers 9). De Allerhoogste, alleen in Hem is veiligheid. Wie in de Heere is, wie in de Allerhoogste zijn woning heeft, is uitermate veilig. Er is nergens veiligheid, bij niets en bij niemand, dan alleen in de Heere Jezus Christus.

Dat leert ons Psalm 91 als we het Nieuwe Testament er naast leggen. Onze ziel en onze eeuwige belangen zijn niet veilig bij de Wet, bij de werken, bij een goede moraal, bij een oppervlakkig beroep op Gods voorzienigheid of bij een beschouwelijk bekeringsverhaal (Galaten 2:21, 3:11-1 3, Romeinen 5:1, 2). Het mag ons ook niet ontgaan dat de dichter zegt: “Gij hebt de Allerhoogste gesteld tot uw Vertrek”. Wat betekent dit? Wij stellen de Heere alleen dan tot ons Vertrek als Hij ons maakt tot Zijn volk en roept tot het geloof: “Maar zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven; welke niet uit den bloede, noch uit de wil des vleses, noch uit de wil des mans, maar uit God geboren zijn” (Johannes 1:12 en 13, zie ook Johannes 15:16, Romeinen 9:15 en 16).

Als voorbeeld
C.H. Spurgeon komt in zijn verklaring van de Psalmen bij Psalm 91:9 en 10 tot een openhartige mededeling uit zijn eigen leven. “In het jaar 1854 toen ik mij nog nauwelijks een jaar te Londen bevond, heerste er in de wijk, waarin ik arbeidde, de Aziatische cholera, en mijn gemeente werd er zeer door geteisterd. In zeer vele huisgezinnen werd ik geroepen aan de legerstede der kranken, en bijna iedere dag moest ik tegenwoordig zijn bij begrafenissen. Met jeugdige ijver wijdde ik mij aan het bezoek van de zieken en mensen van allerlei rang en stand en godsdienst verzochten mij om hen te bezoeken in hun woningen. Ik werd ten laatste zeer afgemat naar lichaam en ziel. Mijn vrienden schenen een voor een van mijn zijde weg te worden genomen, en ik gevoelde - of ik waande te gevoelen - dat ook ik door de krankheid was aangetast. Nog een weinig meer werk en een weinig meer treurigheid zouden mij evenals de anderen hebben doen vallen; ik gevoelde dat mijn last zwaarder was dan ik vermocht te dragen en ik was op het punt van er onder te bezwijken. Nu heeft God het zo beschikt, dat toen ik eens treurig van een begrafenis naar huis ging mijn aandacht getrokken werd door een papier dat tegen het venster van een schoenmakerswinkel in Dover Road was geplakt. Dat papier zag er niet uit als een handelsannonce en dit was het ook niet; want in flink, groot geschrift stond er op te lezen: “Omdat gij den Heere, Die mijn Toevlucht is, namelijk de Allerhoogste, tot uw vertrek hebt gesteld, zal u geen kwaad wedervaren, en zal geen plaag uw tent naderen” (Engelse vertaling). De uitwerking op mijn hart was ogenblikkelijk. Door het geloof mocht ik mij die Schriftplaats toe-eigenen. Ik gevoelde mij veilig, verkwikt, omgord met onsterfelijkheid. Met een kalm en vredig gemoed ging ik voort met het bezoeken van de stervenden”.

Een goddelijk getal
Aan het slot van deze Psalm waarin de verschillende koorstemmen elkaar afwisselen, zingt tenslotte het koor of een enkele priester van het spreken Gods. Sprak eerst Gods kind van zijn teer vertrouwen op de Heere en bevestigde de koorstem deze hartelijke belijdenis (vers 9 is er een mooi voorbeeld van), tenslotte spreekt de mond Gods Zelf (verzen 14-16):

Dewijl hij Mij zeer bemint...” Een woord van God waar je lang over na kunt denken. Het geheim van Gods liefhebben ligt hierin: “Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft” (1 Johannes 4:19). Er is altijd een ‘omdat’ in het leven van Gods kinderen. Omdat wij gezondigd hebben, moeten wij sterven. Omdat Hij Zijn Zoon gegeven heeft tot in de dood, ontvangen doodschuldigen het eeuwige leven. En omdat God zondaren lief heeft gehad, krijgen zondaren Hem lief. Van deze pure genade spreekt de Heere tenslotte Zelf. Hij zet er een zevenvoudige belofte tegenover:

- Ik zal hem uithelpen
- Ik zal hem op een hoogte stellen
- Ik zal hem verhoren
- Ik zal bij hem zijn in de benauwdheid
- Ik zal hem verheerlijken
- Ik zal hem met langheid der dagen verzadigen
- Ik zal hem Mijn heil doen zien

Zeven keer ‘Ik zal!’ Een volkomen, een goddelijk getal en dat voor ‘hem’, dat is een volkomen zondaar.

ds. W. Harinck


Agenda

vrijdag 10 april 2020 19:30
ds. J.J. IJsselstein - Goede Vrijdag
zondag 12 april 2020 10:00
ds J. IJsselstein - Eerste Paasdag
zondag 12 april 2020 16:00
Leesdienst
maandag 13 april 2020 10:00
Leesdienst - Tweede Paasdag